Wet op het uitgesteld loon in de landbouw

De afstammelingen van een land- of tuinbouwer, en/of van zijn echtgeno(o)t(e) evenals de echtgenoten van deze afstammelingen hebben recht op een vergoeding, een zogenaamd ‘uitgesteld loon’, indien zij voor hun werk niet op een andere wijze zijn vergoed.
Daartoe is vereist dat zij na de leeftijd van 18 jaar gedurende ten minste 5 jaar doorlopend een niet betaalde normale arbeid op het landbouwbedrijf hebben verricht. Het bewijs daarvan kan met alle rechtsmiddelen worden geleverd met inbegrip van getuigen en vermoedens. Dit uitgesteld loon wordt vastgesteld op de helft van het brutoloon van een geschoold(e) landbouwarbeid(st)er, berekend op basis van het hoogste loon dat van toepassing was gedurende de arbeidsperiode waarvoor uitgesteld loon kan worden gevorderd. Het maximum is de helft van het netto-actief van de gemeenschap of van de nalatenschap.

Het uitgesteld loon is eisbaar

  • bij het overlijden van de exploitant of van één van de exploitanten;
  • bij ontbinding van de gemeenschap voor wiens rekening het bedrijf werd geëxploiteerd;
  • wanneer de exploitant zijn bedrijvigheid stopzet ten gevolge van een ouderlijke boedelverdeling.

Voor nalatenschappen die openvielen vóór 11 oktober 1985 geldt een andere, minder gunstige regeling. Dit uitgesteld loon valt niet onder toepassing van de inkomstenbelastingen.