Huur volgens het algemeen regime

De algemene regels rond de huurovereenkomsten zijn terug te vinden in het Burgerlijk Wetboek (artikel 1714 tot 1762bis). Het zijn de basisregels die van toepassing zijn op de huurovereenkomsten.

Partijen moeten bij het sluiten van een huurovereenkomst rekening houden met bepaalde regels. Sommige regels moeten ze verplicht volgen (dwingende regels) en van andere regels mogen ze afwijken indien ze dit wensen (aanvullende regels).

Sommige regels hebben een “aanvullende” werking; Ze kunnen door de partijen aan de kant worden geschoven. Partijen kunnen over bepaalde aspecten van hun huurovereenkomst dus zelf onderling afspraken maken.  

 

Opgelet, vaak zal een huurovereenkomst ook onderworpen worden aan dwingende regels. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een huurovereenkomst wordt opgesteld met oog op het verhuren van een woning als hoofdverblijfplaats aan een particulier. Dan zijn de specifieke regels van de Woninghuurwet van toepassing. Deze specifieke regels hebben altijd voorrang op de algemene basisregels. De regels van de Woninghuurwet zijn in principe van “dwingende aard”, de partijen mogen er niet zomaar van afwijken, tenzij uitdrukkelijk is bepaald dat het wel mag.

 

Ook in het Burgerlijk Wetboek zijn er regels waarvan de partijen niet mogen van afwijken, zoals de regels over de plaatsbeschrijving of over de indexering van de huurprijs.

Het algemeen huurregime beschreven in het Burgerlijk Wetboek heeft daarnaast ook belang voor huurovereenkomsten die niet onder specifieke huurregels vallen en waarvoor er bijgevolg geen specifieke regels bestaan. Denk daarbij maar aan de verhuur van kantoren, studentenkamers, opslagplaatsen of tweede verblijven. Bij gebrek aan specifieke regels zijn deze overeenkomsten “slechts” onderworpen aan de basisregels van het Burgerlijk Wetboek. Voor deze overeenkomsten geldt er dus een grotere contractuele vrijheid, gezien deze regels in de meeste gevallen een aanvullende werking hebben.