Erfbelasting op de gezinswoning. Vrijstelling in het Vlaams Gewest

Sinds 1 januari 2007 moet de langstlevende partner geen erfbelasting meer betalen op de gezinswoning. Het gaat om een vrijstelling van de woning die de erflater en samenwonende partner tot gezinswoning diende op het ogenblik van overlijden.

De vrijstelling geldt alleen voor de gezinswoning, dus niet voor een eventueel tweede verblijf. Onder “gezinswoning” wordt verstaan: de gezamenlijke hoofdverblijfplaats waar de partners op het ogenblik van het overlijden samenleefden.

De vrijstelling geldt zowel voor wettelijke samenwonenden, als voor feitelijk samenwonenden. Voor feitelijke samenwonenden wordt wel bijkomend vereist dat zij drie jaar ononderbroken samengewoond hebben vóór het overlijden en een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd.

Nochtans kan, zelfs wanneer de samenwoning wordt onderbroken, de vrijstelling worden bekomen in de volgende drie situaties:

  • in geval van feitelijke scheiding van de wettelijke samenwonenden op het ogenblik van het overlijden
  • in geval het samenleven door overmacht onmogelijk is geworden
  • wanneer één van beide partners op het ogenblik van het overlijden in een rust- of verzorgingsinstelling of serviceflat verblijft.

De vrijstelling geldt alleen voor de langstlevende partner en niet voor de kinderen of kleinkinderen die een aandeel verkrijgen in de gezinswoning. Er mag met andere woorden geen verwantschap zijn in op- en neergaande lijn. Een kind dat samenwoont met een ouder, komt niet in aanmerking voor de vrijstelling.

Broers en zussen die al drie jaar samenwonen daarentegen kunnen dan weer wel van die vrijstelling genieten.

De schulden die specifiek werden aangegaan om de gezinswoning te verwerven of te behouden moeten bij voorrang worden aangerekend op de waarde van de gezinswoning. Als er nog een saldo is, moet dit eerst worden toegerekend op de waarde van de andere onroerende goederen en vervolgens op de waarde van de roerende goederen.