12 Wat gebeurt met de samen aangekochte woning wanneer een van de samenwoners overlijdt?

Als op voorhand niets op papier is gezet, is de kans groot dat de langstlevende partner, na het overlijden van zijn levensgezel, niet in het huis zal kunnen blijven wonen, hoewel het voor een deel zijn eigendom is.

Wettelijke samenwonenden hebben vandaag een erfrecht. Zij behouden het vruchtgebruik op de gezamelijke woning (of de huurinkomsten daarvan) en op de huisraad. Let op, de andere partner kan zijn wettelijke samenwonende partner testamentair onterven. Ook de wettelijke samenwoning kan eenzijdig opgezegd worden.

Feitelijke samenwonenden erven niet automatisch van elkaar. Indien er niets is geregeld, zal de helft van de eigendom van de eerstoverleden partner dus geërfd worden door zijn erfgenamen (zijn kinderen, ouders, broers/zusters…)

Dit is meestal niet de bedoeling van de feitelijke samenwonenden.

Een eerste mogelijkheid bestaat erin dat de partners bij testament hun helft van de eigendom geven aan de andere partner (in volle eigendom of in vruchtgebruik).

Dit lijkt in orde, maar het risico bestaat dat dit testament geen volledige uitwerking zal hebben door de wettelijke reserve van bepaalde erfgenamen van de overledene.

Kinderen of de ouders (ingeval er geen kinderen zijn, hebben de ouders elk recht op 1/4e deel van de nalatenschap) hebben immers recht op een reserve in de nalatenschap van hun ouder, respectievelijk kind. Zij worden “reservataire erfgenamen” genoemd.

Door bij testament de volle eigendom of het vruchtgebruik van zijn aandeel in de woning aan de langstlevende partner te geven, bestaat er veel kans dat men deze reservataire erfgenamen tekort doet, doordat men de langstlevende partner meer geeft dan wettelijk toegelaten is.

Op die manier is de langstlevende partner niet zeker om de eigendom of het vruchtgebruik van de gehele woning te bekomen.
Wel belangrijk te signaleren dat een testament eenzijdig door de ene partner kan worden herroepen, zonder dat de andere dit weet.

Met een beding van aanwas (ook genaamd “tontine”) wordt dit risico uitgesloten.

Een beding van aanwas is in de meeste gevallen (ook bij wettelijk samenwonenden !) inderdaad de enige oplossing om er gegarandeerd voor te zorgen dat de andere partner/mede-eigenaar de samen aangekochte eigendom in volle eigendom zal verwerven of er levenslang het vruchtgebruik van zal hebben.

Het komt hier op neer dat bij een gezamenlijke aankoop van een woning, de ene partner met de andere partner overeenkomt dat diegene die het langst leeft van hen beiden, de woning in volle eigendom dan wel in vruchtgebruik mag hebben.
Met andere woorden het aandeel van de eerststervende partner zal aanwassen bij het aandeel van de langstlevende als gevolg van de gesloten overeenkomst tussen de partners. Dit vereist wel dat de overlevingskansen van beide partners gelijkwaardig moeten zijn.

De regels van de wettelijke reserve spelen hier niet. Het beding van aanwas is namelijk geen testament of ook geen schenking, maar een kanscontract dat beide partners met elkaar hebben afgesloten via een overeenkomst.

Het beding van aanwas zorgt er dus voor dat de langstlevende partner de volle eigendom of het vruchtgebruik van de woning verkrijgt. Met een beding van aanwas met optie heeft de langstlevende zelf de keuze om gebruik te maken van de clausule. In dat geval zal de langstlevende kiezen om het beding van aanwas al dan niet in te roepen. Bij uitoefening van het beding van aanwas, betaalt men registratierechten en is men volle eigenaar. De langstlevende kan ook kiezen om het beding van aanwas in te roepen, en daarmee het erfrecht te laten spelen. Dan zal de langstlevende het vruchtgebruik van de gezinswoning verwerven, zonder erfbelastingen te betalen. Bij feitelijke samenwonende partners gebeurt dit niet automatisch: er moet een testament zijn die dit vruchtgebruik toekent. Na 3 jaar feitelijke samenwoning moet er eveneens geen erfbelastingen betaald worden op de gezinswoning. De langstlevende kan met andere woorden kiezen: aanwas met registratierechten of het testament met verlaagde erfbelastingen en vrijstelling op de gezinswoning. De langstlevende zal hier een fiscale overweging moeten maken: registratierechten betalen aan hetzelfde percentage dat men destijds bij de aankoop betaalde, en dit op de helft van de waarde van het eigendom, kan mogelijks meer bedragen dan het tarief van de erfbelastingen.