63 Mijn zoon is zwaar ziek. Sinds enkele jaren is hij uit de echt gescheiden. Hij is eigenaar van een woning. Zijn directe erfgenaam is onze kleindochter die nog minderjarig is. Als mijn zoon zou overlijden, heeft onze ex-schoondochter dan het recht om in zijn woning te gaan wonen?

De “ex” van uw zoon erft niet van hem (tenzij uw zoon haar nog zou begunstigen via een testament). Er is geen wettelijk erfrecht tussen ex-echtgenoten. Uw kleindochter, die wel (alles) van hem zal erven, is thans minderjarig en dus handelingsonbekwaam. Aangezien de moeder van uw kleindochter (uw ex-schoondochter) nog in leven is, valt bij een eventueel overlijden van uw zoon de voogdij niet open, maar zal zij het ouderlijk gezag uitoefenen.
Het ouderlijk gezag omvat een geheel van zeer verschillende bevoegdheden die de ouder kan laten gelden t.a.v. zijn/haar minderjarige kinderen. Een belangrijk attribuut is het recht (en de plicht) van beheer over de goederen van de minderjarige. Het recht van beheer houdt in dat de ouder m.b.t. het vermogen van zijn kind allerlei daden mag stellen zoals daden van bewaring, inkomsten en vervallen schuldvorderingen innen, onroerende goederen verhuren voor niet meer dan 9 jaar enz. Het beheer moet steeds tot doel hebben het instandhouden en verder doen opbrengen van het vermogen van de minderjarige. Wat kapitalen betreft (ongeacht hun herkomst), is de ouder na de afloop van het ouderlijk gezag rekening en verantwoording verschuldigd. Indien zou blijken dat de ouder aan de minderjarige toekomende goederen of sommen weggemaakt zou hebben zonder hiervoor een equivalent voordeel in de plaats gesteld te hebben, dan is de ouder er toe verplicht deze sommen of de waarde van deze goederen terug te betalen aan het meerderjarig geworden kind. De ouder die het gezag uitoefent, heeft ook het genot van de goederen van het kind. Dit betekent dat hij er de “vruchten” mag van genieten. Met de inkomsten die de goederen van de minderjarige opleveren moet de ouder in de eerste plaats zijn/haar onderhouds- en opvoedingsplicht nakomen. Als titularis van het genotsrecht voert de langstlevende ouder het beheer in eigen naam en voor eigen rekening. De inkomsten van de goederen van de minderjarige komen dus krachtens het genotsrecht de ouder toe. Verantwoording over het beheer van de opbrengsten moet bij afloop van het ouderlijk gezag dan ook niet afgelegd worden. In de regel slaat het genotsrecht op alle goederen van de minderjarige, dus inclusief de goederen die de minderjarige toekomen uit erfenis. Er is geen genot op de inkomsten en goederen die het kind door eigen arbeid verwerft. Het genotsrecht duurt zolang het ouderlijk gezag bestaat, dus tot aan de leeftijd van 18 jaar van het kind. Het genotsrecht komt neer op een soort vruchtgebruik en derhalve heeft de “ex” van Uw zoon inderdaad het recht om in de woning, eigendom van uw minderjarig kleinkind na zijn dood, te wonen (of deze woning te verhuren voor maximaal 9 jaar). Wil uw zoon dit vermijden dan kan hij in een testament uitdrukkelijk voorzien dat zijn ex-echtgenote niet het wettelijk genotsrecht zal bezitten op de woning. Artikel 387 van ons Burgerlijk Wetboek laat dit expliciet toe. Men doet dit soms in de praktijk wanneer een gefundeerd wantrouwen bestaat betreffende het financieel beheer door de (al dan niet echtgescheiden) ouder van het minderjarig kind. Uw zoon kan, eveneens bij testament, het vruchtgebruik van zijn woning tijdelijk (bv. tot aan de meerderjarigheid van zijn dochter) aan een vertrouwenspersoon toekennen. De minderjarige dochter heeft dan na zijn dood slechts de blote eigendom van het huis tot ze meerderjarig is en de “ex” kan hierop geen genotsrecht uitoefenen. Om fiscale redenen (om al te hoge successietarieven te vermijden) wordt best een vertrouwenspersoon in rechte lijn aangesteld (bv. uzelf als grootouder).
De ouder kan de goederen van de minderjarige niet verkopen. Dit is enkel mogelijk na een voorafgaandelijke machtiging door de vrederechter. En ook dit kan eventueel verboden worden in een testament. Men kan in een testament een clausule inlassen die in een tijdelijke onbeschikbaarheid van de geërfde goederen voorziet (bv. tot de meerderjarigheid van het kind).