69 De langstlevende echtgenoot heeft een voorbehouden erfdeel op de preferentiële goederen.

De langstlevende echtgenoot heeft een voorbehouden erfdeel op de preferentiële goederen. Wat houdt dit in?

Het voorbehouden erfdeel van de langstlevende echtgenoot is het aandeel in vruchtgebruik dat aan de langstlevende niet kan worden ontnomen.

Zonder testamentaire beschikkingen en ingeval de vooroverleden echtgenoot kinderen nalaat, erft de langstlevende het vruchtgebruik over de ganse nalatenschap.

Bij testament kan de overledene aan de echtgenoot de helft ontnemen van zijn wettelijk erfrecht met als gevolg dat de langstlevende nooit minder kan erven dan het vruchtgebruik over de helft van de nalatenschap.

De wet van 14 mei 1981 bepaalt echter dat de langstlevende echtgenoot op zijn minst het levenslange vruchtgebruik bekomt over de gezinswoning en het daarin aanwezige huisraad (preferentiële goederen) ook al beperkt een testament het vruchtgebruik tot de helft van de nalatenschap.

Zelfs indien de nalatenschap niets anders zou omvatten dan de gezinswoning en/of huisraad en meubelen, dan nog blijft dit het voorbehouden erfdeel op de preferentiële goederen. De kinderen erven dan de blote eigendom en zullen er de volle eigendom van verkrijgen bij het overlijden van de vruchtgebruiker. Ondertussen kunnen de blote eigenaars natuurlijk hun rechten veilig stellen en ondermeer inventaris laten opmaken van de meubelen en huisraad, een staat laten opmaken van de woning, een borgstelling eisen voor het goed gebruik van woonhuis en meubelen.

De langstlevende echtgenoot kan echter wel worden onterfd bij testament, gemaakt door de eerststervende, maar alleen indien de echtgenoten op de dag van overlijden sinds méér dan zes maanden gescheiden leefden (niet samenwonen) en indien de erflater vóór zijn overlijden bij een gerechtelijke akte als eiser of als verweerder, een afzonderlijk verblijf had gevorderd en voor zover beide echtgenoten na die akte niet opnieuw zijn gaan samenwonen. Beide voorwaarden moeten echter samen vervuld zijn. Bijgevolg is het feit van gedurende zes maanden feitelijk gescheiden te leven niet voldoende om de langstlevende bij testament te kunnen onterven.