3. De regel van de plaatsvervulling

Soms is een erfgenaam zelf al overleden of heeft hij verworpen. Dan nemen zijn afstammelingen zijn plaats in.
Dat is plaatsvervulling. Een erfgenaam die verder in graad staat, krijgt het erfdeel dat zijn (eerder overleden) ouder gekregen zou hebben – als die nog in leven was geweest of niet had verworpen – samen met erfgenamen die in graad dichter staan dan hijzelf.

Tot voor kort kon men enkel de plaats innemen van een voorouder die gestorven was. Plaatsvervulling was niet mogelijk als de voorouder nog leefde en de nalatenschap bijvoorbeeld verworpen had. Daarin is recent verandering gekomen. Plaatsvervulling is thans mogelijk na onwaardigheid en verwerping. Een erfgenaam is onwaardig en wordt juridisch uit de erfenis gesloten, als hij/zij zich schuldig gemaakt heeft aan dergelijke erge feiten of vergrijpen jegens de overledene dat het niet langer moreel of verantwoord voorkomt dat hij/zij nog van hem zou erven. De regels rond onwaarwaarheid zijn ook recent gemoderniseerd. De erfgenamen van een onwaardige zijn dus voortaan niet langer door de schuld van hun ouder uit de nalatenschap uitgesloten. Plaatsvervulling is voortaan ook mogelijk als een erfgenaam de nalatenschap verwerpt ! Een en ander maakt nu ook via deze weg een zogenaamde “generatiesprong” mogelijk. Het is een wet van 10 december 2012 die aan de basis ligt van de hierboven besproken hervormingen inzake onwaardigheid, verwerping en de plaatsvervulling die alsdan kan gebeuren. De nieuwe regels zijn van toepassing op alle erfenissen die opengevallen zijn vanaf 21 januari 2013.