Progressievoorbehoud

Men hoort vaak dat men best tussen iedere schenking (aan dezelfde persoon) minstens drie jaar moet wachten. Wat is daar van aan? Vroeger was dit inderdaad zo voor alle schenkingen zowel van roerende als van onroerende goederen.

Heel simpel gesteld: wanneer Jan twee goederen heeft die samen € 180.000 waard zijn en hij zou die in één keer wegschenken aan Hilde, dan zal de te betalen schenkbelasting hoger zijn dan wanneer Jan over de tijd gespreid twee aparte schenkingen doet aan Hilde, bijvoorbeeld eerst een van € 100.000 en later een van € 80.000.
De reden is dat het schenkingstarief bestaat uit schijven die toenemen naarmate men meer schenkt.

Door trapsgewijs - of anders gezegd - 'in schijfjes' te schenken komt men steeds in de laagste of lagere tariefschijven terecht.
De wetgever heeft de zaak echter iets moeilijker gemaakt! Als de schenking binnen de drie jaar gevolgd wordt door een nieuwe schenking (tussen dezelfde partijen), dan zal de waarde van de eerste schenking toegevoegd worden aan de belastbare grondslag van de tweede schenking en zal het tarief dat op de tweede schenking moet worden betaald hoger liggen.

 

Voorbeeld

Jan schenkt in 2006 het goed met een waarde van € 100.000 aan Hilde. Op die € 100.000 (de belastbare grondslag) wordt schenkbelasting betaald. In 2008 (dus binnen de drie jaar na de eerste schenking) schenkt Jan € 80.000 aan Hilde. De belastbare grondslag van deze tweede schenking is niet € 80.000, maar € 180.000. Op de eerste € 100.000 moet weliswaar geen belasting meer worden betaald (die is al betaald in 2006), maar de resterende € 80.000 wordt wel belast aan een hoger schenkingstarief (het tarief voor de schijf vanaf € 100.001 tot € 180.000 - en dus niet die vanaf € 0 tot € 80.000). Dit is wat men onder de regel van het progressievoorbehoud verstaat. Er ontstaat dus een soort ‘opduweffect’. Had Jan meer dan drie jaar gewacht tussen beide schenkingen, dan zou de tweede schenking aan een lager tarief belast zijn.

 

Toch geldt deze regel niet altijd. Er moet een onderscheid gemaakt worden in functie van de aard van het geschonken goed (roerend of onroerend). Er moet ook worden nagegaan of de regels niet verschillen van gewest tot gewest.